Image Image Image Image Image Image Image Image Image

Studeer mee: kinderrechten

Marieke Hopman

By

12 juli 2016

Studeer mee: Pospisil’s legal systems & legal levels

12 juli 2016 | By | No Comments

Text: Pospisil, L. (1967) ‘Legal Levels and Multiplicity of Legal Systems in Human Societies’, in: The Journal of Conflict Resolution 11(1), pp. 2-26.

Introduction

 

In everyday legal work we generally take the state law and international law as the ultimate sources of law that guide our work on a daily basis. This position takes the conventional concept of “law” to mean “state law” or “international law”. However, this idea has been criticized by many great thinkers such as for example Eugen Ehrlich, Max Weber, Boaventura de Sousa Santos and Leopold Pospisil. They argue for an understanding of law that recognizes laws other than those rules issued by the state. Some even argue that the tendency to identify law with state law adheres to ‘the ideology of state centralism’,[1] and call for an ‘uncoupling of law from the state’.[2]

These researchers adhere to what has been called “legal pluralism”; the idea that it is possible to say that multiple legal orders coexist in the same social field, [3] that the state is not the only legal order, that there are other laws except state law.

If they are right, lawyers might have to look further than state or international law to understand the legal situation many people (and, notably, children) find themselves in. Ehrlich in this respect criticized legal practicioners, saying that ‘the jurist does not mean by law that which lives and is operative in human society as law, but, apart from a few branches of public law, exclusively that which is of importance as law in the judicial administration of justice’.[4] Instead, he proposed that the jurist has ‘to look not only at the law, but at the whole of legal life, whether it accords with the law, whether it runs contrary to the law or whether it fills the gaps of the law’.[5] In this way, legislators can legislate more effectively, because they will be better aware of the consequences of rules they install,[6] scientific research on law will become much more relevant[7] and jurists can use real life in the courtroom.[8]

Pospisil took Ehrlich’s idea and applied it to his own field research, firstly demonstrating how law among Kapauku Papuans, Nunamiut Eskimo and Tirolean peasants,

‘the decisions of the leaders of the various subgroups bore all the necessary criteria of law (in the same way that modern state law does): the decisions were made by leaders who were regarded as jural authorities by their followers […] these decisions were meant to be applied to all “identical” (similar) cases decided in the future […] they were provided with physical or psychological sanctions […] and they settled disputes between parties represented by living people’.[9]

He therefore claims categorially that ‘every functioning subgroup of a society has its own legal system which is necessarily different in some respects from those of the other subgroups’.[10] An individual is simultaneously a member of several subgroups, such as the household, the lineage, etc, and consequently the same individual may be subject to different and sometimes contradictory laws of different legal systems.[11]

However, this is not exclusively the case when it comes to more primitive or exceptional societies. Pospisil sees the same kind of legal systems operating in Western society; in the USA for example, ‘there exists, besides the federal or national legal system that is applied to the whole society (nation), the legal systems of its component states’.[12] But he goes even further and controversially argues that ‘even a small grouping such as the American family has a legal system administered by the husband, or wife, or both, as the case may be. Even there, in individual cases, the decisions and rules enforced by the family authorities may be contrary to the law of the state and might be deemed illegal’.[13] Other examples of legal subsystems are the criminal gang, the province, the village, the clan, gilds.[14]

 

[1] John Griffiths, ‘What is legal pluralism?’ (1986) 18 The journal of legal pluralism and unofficial law 1-55 3.
[2] Boaventura de Sousa Santos, Toward a New Legal Common Sense: law, globalization, and emancipation (second edn, Cambridge University Press 2002) 68, 85.
[3] Sally Engle Merry, ‘Legal pluralism’ (1988) 22 Law and society review 869-96.
[4] Eugen Ehrlich, Fundamental Principles of the Sociology of Law (Harvard Studies in Jurisprudence, Arno Press 1975): 9-10.
[5] Eugen Ehrlich, Manfred Rehbinder, Gesetz und Lebendes Recht: vermischte kleinere Schriften (Duncker & Humblot (1986): 232, 234.
[6] Ibid: 238-39.
[7] Ehrlich, 1975: 493, 1986: 237.
[8] Ehrlich, 1986: 237.
[9] Pospisil L, ‘Legal levels and multiplicity of legal systems in human societies’ (1967) 11 Journal of Conflict Resolution:  9.
[10] Ibid: 9.
[11] Ibid: 9. The term “legal system” is used interchangeably with “legal level”.
[12] Ibid: 13.
[13] Ibid: 13-15.
[14] Ibid: 13.

Marieke Hopman

By

21 maart 2016

Studeer mee: rechtsbewustzijn van kinderen in Panama

21 maart 2016 | By | No Comments

Tekst: v.d. Kroon, C. (2015) ‘“Costa Rica is preti!”: Het rechtsbewustzijn van inheemse, Panamese Ngäbe-kinderen die (tijdelijk) migreren naar Costa Ricaanse koffieplantages’, Tijdschrift voor Jeugd en Kinderrechten 16(3), pp. 216-233.

Introductie
Carrie v.d. Kroon is in 2013 in Panama en Costa Rica geweest voor veldonderzoek onder de Ngäbe bevolking, een inheemse bevolkingsgroep van Panama. Haar onderzoek richt zich op het deel van de bevolking dat jaarlijks naar Costa Rica reist om daar op de plantages koffie te plukken.

In haar artikel focust v.d. Kroon op de ervaringen van de 52 kinderen waarmee zij sprak, van wie zij door middel van rechtsantropologische methodologie en interpretatie wil weten hoe het stond met hun rechtsbewustzijn (p. 218). De antwoorden die de kinderen geven legt zij naast informatie van volwassenen, opgedaan vanuit gesprekken met lokale professionals en literatuurstudie (p. 219).

Wat opvalt is dat er een grote discrepantie is tussen het internationale (kinder)rechtenkader, en de dagelijkse ervaringen van kinderen, inclusief de betekenis die zij hieraan geven. Aan de ene kant wordt in de literatuur een zeer negatief beeld geschetst van de situatie van deze mensen: ‘[d]e arbeidsmigranten van de Ngäbe-Buglé […] bevinden zich in de moeilijkste positie, daar zij “verreweg de meest uitgesloten en armste migranten zijn”’ (p.221). De kinderen zijn daarbij nog extra kwetsbaar. V.d. Kroon conludeert dan ook dat het hier dus gaat ‘om de meest gemarginaliseerde van de gemarginaliseerde groepen, die het minst zichtbaar zijn en het minst gehoord worden’ (p. 221). Aan de andere kant concludeert zij op basis van de gesprekken met kinderen: ‘de Ngäbe-kinderen zijn zonder uitzondering enthousiast wanneer zij denken aan Costa Rica’ (p. 219). Zij vinden het een mooi land, vinden het werk, de natuur en het huis waar ze wonen leuk (p. 219, 221-24).

Wat zegt dit over het rechtsbewustzijn van kinderen? Volgens v.d. Kroon zijn de kinderen zich ‘wel degelijk bewust van hoe dingen ‘horen’, wat wel en niet mag […] Zij spreken in termen van goed en kwaad […] regels en verantwoordelijkheden, zonder dit aan formeele rechten te koppelen’. Op basis van de bovengenoemde discrepantie geeft zij aan dat ‘op basis van de (negatieve) beelden van volwassenen omtrent kinderarbeid en abstracte, universeel geldende mensenrechtennormen die kinderen moeten ‘beschermen’, maatregelen genomen kunnen worden die volgens kinderen en adolescenten zelf niet noodzakelijk noch gewild zijn’ (p. 227).

In de afsluiting van het artikel lijkt ze echter toch een knieval te doen richting dit volwassenen mensenrechtenkader, wanneer zij schrijft dat het gat tussen de universele mensenrechtennormen en de realiteit in Centraal-Amerika kan worden gedicht ‘door het opstellen van uitvoeringsplannen, het toekennen van budget en dit specifiek te maken voor de doelgroep [etc.]’ (p. 231).

Discussiepunten

  • Hoe kunnen we toegang krijgen tot het rechtsbewustzijn, en met name het “morele kompas” (p. 227) van kinderen? Is dat belangrijk?
  • Welke rol speelt dit rechtsbewustzijn van kinderen in het vaststellen van (mensenrechten)beleid?
  • Moeten we op basis van internationale kinderrechtenverdragen maatregelen doorvoeren, ook als dit tegen de wil van een bevolkingsgroep, inclusief de kinderen, ingaat?
  • Hoe komen we dit tegen in ons eigen, dagelijkse werk?
  • Gaat deze vorm van kinderarbeid in Costa Rica in tegen het IVRK? Zouden we bv kunnen zeggen tegen deze kinderen “jullie werk is een belangrijk deel van jullie educatie, jullie ontwikkeling naar volwassenheid”?

 

Marieke Hopman

By

16 februari 2016

Studeer mee: eerbiedigen van de identiteit van het kind

16 februari 2016 | By | No Comments

Tekst: Ronen, Y. (2004) ‘Redefining the child’s right to identity’, International Journal of Law, Policy and the Family 18, pp. 147-177.

Introductie
Professor Ronen analyseert het recht van het kind op eerbiediging van zijn/haar identiteit (art. 8 IVRK). Wat houdt dit recht eigenlijk in?

Voor Ronen ligt de nadruk op het onderscheid tussen een meer individualistische, onafhankelijke visie en een meer afhankelijke, communitaristische visie. Want wie of wat bepaalt jouw identiteit; jouw eigenheid, jouw aangeboren karakter bijvoorbeeld, of juist de groep waarbinnen je opgroeit? Voor Ronen is deze vraag de basis voor wat in juridische zaken moet begrepen worden als het recht op identiteit.

Praktisch gezien komen deze vragen naar voren wanneer bijvoorbeeld ouders gaan scheiden, of kinderen geadopteerd worden. Wat is de band van het kind met zijn/haar omgeving, en moeten we die beschermen omdat dit belangrijk is voor de identiteitsvorming? Wat als wij denken dat deze omgeving schadelijk is voor het kind? Het antwoord wat Ronen is dat we de beslissing hierover meer bij het kind moeten leggen. Het is tenslotte het kind wat kan bepalen welke aspecten voor hem/haar belangrijk zijn voor de vorming van zijn/haar identiteit.

Discussie
Voor een meer uitgebreide introductie en discussievragen, zie dit document.

Marieke Hopman

By

5 januari 2016

Studeer mee: de rol van kinderen in relatie tot migratie & familiehereniging in Nederland

5 januari 2016 | By | No Comments

Tekst: van Walsum, S. (2011) ‘Sex and the regulation of belonging: Dutch family migration policies ìn the context of chnging family norms’, in: Kraler, A., Kofman, E., Kohli, M. & Schmoll, C. (eds.) (2011) Gender, Generations and the Family in International Migration. Amsterdam: Amsterdam University Press. Pages 57-69 (until 2.5).

Introductie
In haar hoofdstuk presenteert van Walsum een historische analyse van Nederlands familierecht en migratierecht, beginnend bij de periode van decolonisatie na 1945. De auteur linkt het exclusie/inclusie proces (wie hoort er bij “ons” en wie niet?) aan veronderstelde nationale normen en waarden. Zij voert bewijzen aan waarbij ze laat zien dat de vraag wie wel of niet in Nederland mag worden, voor een groot deel bepaald wordt door de vraag “heeft deze persoon dezelfde Nederlandse normen en waarden?”. Die Nederlandse normen en waarden zijn zaken als economische zelfstandigheid, vrijheid, gelijkheid en individuele verantwoordelijkheid (p. 62, 66).

Door de nadruk op het individu (niet de groep is verantwoordelijk, maar het individu) verandert in de loop van de geschiedenis de rol van de nucleaire familie, oftewel het gezin. Het betekent voor kinderen bijvoorbeeld dat als de ouders in Nederland wonen en hier genaturaliseerd worden, maar de kinderen groeien een aantal jaar op in het buitenland bijvoorbeeld bij familie, zij daarna niet naar Nederland mogen komen omdat zij gezien worden als een “integratie-risico” (p. 66).

Discussie
Voor een meer uitgebreide introductie en discussievragen, zie dit document.

Marieke Hopman

By

8 december 2015

Study along: the ethics of participatory research with children

8 december 2015 | By | No Comments

In de laatste studiegroep hebben we ons gericht op hoe we de rol van kindparticipatie kunnen evalueren. Wanneer kinderen de kans krijgen om te participeren, in onderzoek of in andere contexten (school, NGO werk, familie), komen ethische vragen ten tonele, zoals:

– wie kan instemmen om te participeren (kind, volwassene, of beiden)?
– hoe kunnen volwassenen luisteren naar kinderen?
– kunnen volwassenen open zijn voor de agendapunten van kinderen?
– wie analyseert, presenteert en behoudt de uitkomsten?

Thomas & O’Kane schreven “The Ethics of Participatory Research with Children”  in 1998, waarin zij deze issues bediscussiëren in relatie tot hun onderzoek naar wie beslissingen maakt in de wereld van kinderen die onder toezicht staan. De auteurs beweren dat onderliggend aan de ethische vragen we het perspectief vinden dat wordt ingenomen over kinderen en de betekenis van de kindertijd (p. 338).

Hier vind je het document dat de studiebijeenkomst over ethiek en kindparticipatie introduceert.

Marieke Hopman

By

4 november 2015

Studeer mee: onze visie op kind-zijn?

4 november 2015 | By | One Comment

Sinds vandaag organiseer ik een tweewekelijks “studieuur” met kinderrechten specialisten van Defence for Children. We discussiëren over recent werk, teksten over kinderrechten. Ik zal op deze blog de teksten + voorbereiding van dit studieuur delen, zodat wie wil kan meestuderen.

Vandaag hadden we onze eerste bijeenkomst en het was zeer inspirerend! We bespraken Jenks’ boek “Childhood”, hoofdstuk 4. Jenks vraag zich af in deze tekst waarom gedurende afgelopen decennia kindermishandeling steeds vaker voorkomt. Volgens hem is kindermishandeling een fenomeen van alle tijden, wat is veranderd is onze houding tegenover het kind.

In de discussie met juristen van Defence for Children was een van de interessante vragen hoe ons idee van kind zijn ons werk beïnvloedt. Werken we voor de bescherming of de empowerment van kinderen? Zijn kinderrechten controlerend/beschermend of juist empowering? Heeft Jenks gelijk wanneer hij zegt dat we in het kind de verloren meta-narratief van de maatschappij (een verhaal van liefde en onschuld) proberen te behouden?

Hierbij de tekst die we hebben gelezen en het document met mijn introductie op de tekst, inclusief discussie vragen. Zo kan iedereen die interesse heeft thuis meedoen met onze studie :-)!